-

Verschillende strominingen binnen de (klassieke) homeopathie

Stromingen binnen klassieke homeopathie

George Vithoulkas

George Vithoulkas sluit met zijn ideeën het meeste aan op die van Samuel Hahnemann en James Tyler Kent. Hij heeft de ideeën van zijn voorgangers in een moderner jasje gestoken en hier en daar verfijnd aan de hand van zijn enorme hoeveelheid ervaringen. De ideeën over gezondheid en ziekte heeft hij in meer detail uitgewerkt maar wel in het verlengde van de voornaamste voorgangers in de homeopathie. Hij is ook diegene die het meeste heeft betekend voor homeopathie en het op de kaart heeft gezet bij overheid en universiteiten. Hij hecht heel veel belang aan een verklaarbaar, coherent en efficient systeem waarbij respect voor de mens centraal staat.

Toevoegingen aan de klassieke homeopathie zijn de zogenaamde Levels of health en een duidelijkere beschrijving van de geesmiddelreacties. In de klassieke literatuur kan je hier echter al kleine stukjes terug vinden.

Rajan Sankaran - Sensation Method

Rajan Sankaran heeft een aantal eigen kernpunten in zijn benadering van homeopathie. Deze zijn: nadruk op de mentale symptomen, miasma’s en plantenfamilies.

Rajan Sankaran experimenteert vooral met diepe onbewuste processen en drijfveren van mensen. Zo interpreteert hij bepaald gedrag en gebaren tijdens een consult als een expressie of nabootsing van een middel. Dat wil zeggen dat hij bepaald gedrag associeert met flora, fauna of mineralen en op basis daarvan ook een middel kiest dat uit één van die groepen komt. Verder legt hij de nadruk tijdens het consult op het uitvragen van sensaties, denkbeelden, wanen, dromen, etc. Vandaar dat tijdens het consult vragen zoals “Hoe voelt dat?”, “Wat ervaar je daarbij?”, etc. vaak gesteld worden. Hij gaat er vanuit dat deze informatie de kern van de patiënt weerspiegelt en dat daardoor een directe link kan worden gevonden met een middel. Fysieke klachten worden niet of nauwelijks overwogen en worden in de praktijk naar de achtergrond geschoven. Er wordt ook veel gebruik gemaakt van interpretatie. Een gesimplificeerd voorbeeld: mensen met zwart-gele kleding zouden volgens deze stromingen mogelijk een middel nodig hebben dat gemaakt is van bijen omdat bijeen een zwart-gele kleur hebben. Men gaat er namelijk van uit dat men onbewust deze kleding kiest omdat het overeenkomt met het middel dat men nodig heeft. Het probleem hierbij is echter dat bepaalde sensaties, gevoelens en gebaren soms voor meerdere interpretaties vatbaar zijn net zoals men een abstract kunstwerk vaak op meerdere manieren kan interpreteren.

Een ander speerpunt binnen deze stroming is de indeling en het gebruik maken van vele miasma’s. Naast de oorspronkelijke drie miasma’s die Samuel Hahnemann bedacht in zijn boek ‘Chronische ziekten’ en het vierde miasma dat later bedacht werd door J.H. Allen, introduceerde Rajan Sankaran nog vele andere miasma’s. Door de klachten van de patiënt in een bepaald miasma in te delen en te bepalen of een patiënt een dierlijk, plantaardig of mineraal middel nodig heeft, wordt een keuze voor een middel gemaakt. Bepaalde kenmerken behoren namelijk volgens Rajan Sankaran tot de drie verschillende groepen: competitie, gevoeligheid en structuur zijn kenmerken van middelen die gemaakt zijn van respectievelijk dierlijke, plantaardige en minerale middelen. Het probleem hierbij is echter dat de indeling van miasma’s nog regelmatig verandert vanwege het experimentele karakter hiervan. Daarbij is de interpretatie van de symptomen in flora, fauna en mineraal ook weer voor meerdere interpretaties vatbaar. Een ander probleem is dat gebleken is dat een eenvoudige indeling vaak niet overeenkomt met de symptomen die horen bij de verschillende middelen. Bijvoorbeeld het middel Nux Vomica (braaknoot) is gemaakt van een plant maar heeft zeer competitieve kenmerken in het geneesmiddelbeeld.

Als laatste voornaamste kenmerk van de stroming van Rajan Sankaran is dat hij, wat de materia medica betreft, veel werkt met een botanische indeling. Hij groepeert verschillende middelen waarvan de grondstof tot een bepaalde botanische familie behoren. Vaak bestaat een groep middelen die uit zo’n groep komen uit verschillende goed bekende middelen en enkele minder bekende middelen. Hij bestudeert de individuele middelen en kijkt of er een rode draad is binnen die botanische familie. Die rode draad wordt vervolgens gekoppeld aan alle middelen die behoren tot die familie. Een vereenvoudigd voorbeeld: Arnica Montana (valkruid) en Calendula Officinalis (goudsbloem) behoren botanisch gezien tot de composieten familie. Arnica Montana en Calendula Officinalis worden beiden bij verschillende soorten trauma gebruikt dus hebben de composieten te maken met trauma. Deze generalisatie gaat echter niet altijd op. Het middel Taraxacum Officinale (paardebloem) behoort bijvoorbeeld ook tot de composieten en heeft niets te maken met trauma.

Kenmerkende eigenschappen van deze stroming:

  • Uitgebreid systeem van miasma's
  • Nadruk op gevoel, sensaties, etc.'

Nadelen van deze stroming:

  • Men kan de sensaties op meerdere manieren interpreteren. Wie zegt dat de gekozen interpreatatie de juiste is?
  • De indelingen van miasma's en middelen veranderen vrij vaak.
  • De indeling van de middelen is vrij onnauwkeurig en niet gebaseerd op wetenschappelijk erkende indelingen. Zo wordt de cuttlefish (meerkat) bij de vissen ingedeeld als dat zo uit komt omdat het woord fish in de naam van het dier zit terwijl de meerkat een weekdier is dat behoort tot de weekdieren en niet de vissen.

Jan Scholten - Periodiek systeem

Vanwege zijn scheikundige achtergrond is de insteek van Jan Scholten om een systeem te bedenken waarbij de systematiek binnen het periodiek systeem toegepast wordt op de homeopathische materia medica. Rajan Sankaran richtte zich vooral op de planten, Jan Scholten specialiseert zich meer in de minerale middelen.

Hij bestudeerde alle middelen die een bepaald scheikundig element gemeen hadden. Er is bijvoorbeeld een groep minerale middelen waarvan de grondstoffen onder andere het element koolstof (scheikundig symbool is C) bevatten. Aan dit element koppelde Jan Scholten thema’s zoals onder andere zelfwaarde, waardigheid, timiditeit en arbeidersmentaliteit. Aan bijvoorbeeld het element sulfer (scheikundig symbool S) worden thema’s als plezier, liefde en relaties en schoonheid gekoppeld.

Door bepaalde thema’s te koppelen kan men de bijbehorende scheikundige elementen koppelen waardoor middelen ontstaan. Bijvoorbeeld als bij een patiënt de thema’s hard werken, waardigheid en schoonheid een belangrijke rol spelen dan kan men de elementen sulfer en koolstof combineren tot het middel Calcium Sulphuricum (calcium sulfide). Men kan dan kijken of het middel Calcium Sulphuricum bij de patiënt past.

Het probleem is dat bij deze werkwijze soms middelen ontstaan die chemisch gezien onmogelijk zijn om te produceren terwijl we er toch materia medica kennis van hebben. Ook is het zo dat men geen rekening houdt dat middelen van bepaalde combinaties van elementen heel andere symptomen kunnen genezen dan de individuele elementen doen vermoeden (zie ook paragraaf ‘Complex homeopathie’). Verder is deze benadering alleen toe te passen op middelen die gemaakt worden van mineralen.

Ewald Stöteler - Ziekteclassificatie

Alle symptomen van de patiënt worden in acht of meer categorieën geplaatst. Er zijn vier endogene (oorzaak ligt in de persoon) en vier exogene (oorzaak komt van buiten de persoon) categorieën. Symptomen die tot de categorie ‘Erfelijk’ behoren zijn bijvoorbeeld endogeen terwijl symptomen die tot de categorie ‘Iatrogeen’ en ‘Incidenten’ behoren altijd exogeen zijn.

Vervolgens gelden er bepaalde regels voor elke categorie symptomen. Bijvoorbeeld symptomen die behoren tot de groep ‘Incidenten’ worden altijd met middelen behandeld die gemaakt zijn van planten en dierlijke producten en niet met minerale middelen (een enkele uitzondering daargelaten).

In de praktijk blijkt het dan soms ook lastig te zijn om een bepaald symptoom goed in te delen. En er is duidelijk een neiging om de verschillende groepen symptomen met verschillende middelen te behandelen, vaak tegelijk zodat de patiënt op één dag twee of meer middelen moet innemen.

Volgens Ewald Stöteler werkt men in Nederland vooral volgens de methode van James Tyler Kent waarbij men slechts een paar karakteristieke symptomen neemt om een keuze voor een bepaald middel te maken. Omdat men de niet-karakteristieke symptomen niet gebruikt bij de keuze van het middel wordt de patiënt geen recht gedaan en wordt deze niet behandeld op basis van de totaliteit van symptomen. Dit is echter een verkeerde veronderstelling omdat er ten behoeve van het kiezen van het middel weliswaar meer nadruk wordt gelegd op karakteristieke symptomen maar het is zeker niet zo dat alle niet-karakteristieke symptomen terzijde worden geschoven. Bewijs hiervoor zijn onder andere zijn casussen en theorieboek . Samuel Hahnemann schreef ook al dat karakteristieke symptomen meer waarde hebben bij het kiezen van een middel dan niet-karakteristieke symptomen. Het middel dat volgens de methode van James Tyler Kent gekozen wordt, moet natuurlijk ook passen bij de niet-karakteristieke klachten en helpt uiteindelijk de hele persoon en niet alleen de karakteristieke symptomen. Het gebruiken van karakteristieke symptomen is slechts een manier om sneller tot een keuze te komen.

Klinische en complex homeopathie

Tegenwoordig bestaan naast de klassieke ook nog twee andere vormen van homeopathie, namelijk de klinische en complex homeopathie. Voor de duidelijkheid en omdat deze vormen van homeopathie veelgebruikt worden in Nederland, zullen deze twee vormen ook uitgelegd worden zodat men een compleet beeld krijgt van de voor- en nadelen van de verschillende vormen van homeopathie.

Klinische homeopathie

Klinische homeopathie is een vorm van homeopathie waarbij men gebruik maakt van homeopathische middelen, echter zonder gebruik te maken van een overeenkomst tussen ziektebeeld en geneesmiddelenbeeld. De term klinisch heeft de betekenis ‘onmiddellijk zichtbaar’. Men selecteert bij deze vorm van homeopathie de middelen op basis van de diagnose of het orgaan of weefsel dat is aangetast. Als iemand last heeft van maagklachten dan wordt een middel gegeven dat vaak effect heeft bij maagklachten. Overige symptomen worden daarbij niet mee genomen en men individualiseert niet bij het kiezen van een middel.

Het zal duidelijk zijn dat deze manier van homeopathische middelen gebruiken niet overeenkomt met de ervaringen van de grondlegger van homeopathie. Uiteraard kan het zijn dat het gekozen middel toch goed past bij de patiënt en dat daardoor de klachten toch verdwijnen. Vaak is het echter zo dat de klachten wel verdwijnen maar alleen de klachten waarvoor men het middel in heeft genomen zonder dat de overige klachten verbeteren. Daarbij moet men het middel vaak frequent en langdurig innemen omdat er geen echter affiniteit is tussen het middel en de zieke persoon.

Complex homeopathie

De term ‘complex’ heeft de betekenis ‘geheel bestaande uit onderling verbonden delen’. Bij complex homeopathie selecteert men verschillende homeopathische middelen die men vaak geeft tegen een bepaalde klacht. Men zoekt bijvoorbeeld de vijf voornaamste homeopathische middelen die men kan geven bij bijvoorbeeld hoest, die voegt men samen tot één middel.

Een probleem bij complex homeopathie is dat men niet goed weet wat het resultaat is van het samenvoegen van verschillende middelen. In de klassieke homeopathie wordt elk middel met behulp van een geneesmiddelproef getest. Met andere woorden men weet van elk middel waarvoor men het kan gebruiken. Om een voorbeeld te noemen: men kent het homeopathische middel Calcarea Carbonica (calcium) en het middel Phosphor (fosfor). Men kent ook het middel Calcarea Phosphoricum (calcium fosfaat). Het middel Calcarea Phosphoricum is ook getest door middel van een geneesmiddelproef. Daaruit blijkt dat dit middel wel enkele kenmerken heeft van Calcarea Carbonica en Phosphor, maar ook veel symptomen die niet behoren tot een van die twee middelen en alleen behoren tot het middel Calcarea Phosphoricum. Met andere woorden het samenvoegen van verschillende grondstoffen kan onvoorspelbare resultaten opleveren wat betreft de werking van die combinatie.

Ook complex homeopathische middelen moet men meestal frequent en langdurig innemen om de klachten weg te houden. Dat komt omdat er vaak geen affiniteit tussen het middel en de zieke persoon is. Indien men een middel vaak en langdurig neemt, kan men ongewild een zogenaamde geneesmiddelenproef gaan uitvoeren. Met als gevolg dat men op den duur symptomen gaat vertonen die passen bij het homeopathische middel. Men krijgt wel homeopathische middelen binnen die de Dynamus stimuleren en prikkelen maar vanwege de verscheidenheid en frequentie van prikkels kan de Dynamus juist zieker worden.

Binnen de klassieke homeopathie is het doorgaans de bedoeling dat je een homeopathisch middel krijgt indien nodig en niet bijvoorbeeld standaard elke dag. Ook worden binnen de klassieke homeopathie alleen middelen gegeven waarvan de werking bekend is.

Beoordeling

Hier kunt u uw mening over het artikel geven.

Uw beoordeling

Eventuele opmerkingen:

Eventueel uw email:

Anti-spam: hoeveel is 5+6?

   

Bronnen en interessante links


Met betrekking tot het gebruik van deze informatie zijn er een aantal dingen die belangrijk zijn om te weten. Deze informatie vindt u via deze link.

 

 

Nieuws

Copyright 2012 Klassieke Homeopathie Rob Willemse - webdesign Lutra Design